zondag 14 oktober 2012

Hoeve de Leeuw door Jos Habets

Jos Habets beschrijft in zijn boek uit 1880:

de historie van De Pachthoeve Leeuw onder Nuth.



Voor een meer gedetailleerde beschrijving, ook van de latere periode,  wordt verwezen naar het hoofdstuk  "Hoeve de Leeuw"  geschreven door Miel Bruls in zijn boek "Mensen van Nuth"

zaterdag 13 oktober 2012

Hoeve de Leeuw door Miel Bruls

Hoeve de Leeuw
geschreven door Miel Bruls in zijn boek "Mensen van Nuth"


(alle rechten op de tekst bij Miel Bruls; voor meer info over het beeldmateriaal: info@NuthvanToen.nl)

Hoeve de Leeuw tussen de sappige weilanden
Te midden van de sappige weilanden bij kasteel Reymersbeek ligt hoeve de Leeuw. Zij was in bezit van de Duitse Orde te Aldenbiessen. De grootte van het perceel is 44 bunder, 16 grote en 8 kleine roeden.  

In 1586 wordt ze verpacht aan Leenaert Bosch. Leenaert, getrouwd met Catharina, huwt na haar dood in 1587 met een zekere Gedrud. Als pacht betaalt hij elk jaar 8 malder en 16 vaten rogge en de 2 beste varkens uit de stoppelen en een vette ram. Leenaert heeft 3 zonen en een dochter, maar het is niet bekend of zij de hof overnemen in de 17e eeuw, en in 1661 wordt Mathijs Hamers, al 10 jaar getrouwd met Maria Horstmans, de nieuwe pachtboer.
Het slot van de Duitse orde te Alden Biessen

Zijn oudste zoon wordt boer in Grijzegrubben en de jongste wil niet pachten. Dan wordt in 1682 Caspar Brandts uit Nierhoven de halfwinnaar van hoeve de Leeuw. Hij is getrouwd met Anna Stassen en vader van 5 kinderen. Na de dood van zijn vrouw in 1689 trouwt hij met Catharina Bemelmans. Een nicht Catharina Brandts wordt in 1731 de vrouw van de nieuwe pachter Frans Frijns, zoon van kerkmeester Claes Frijns en Anna Crijns uit Nierhoven. Frans Frijns wordt vader van 11 kinderen o. a. Willem Frijns en Mathijs Frijns, halfwinnaars van de Leeuw in 1765.

De nieuwe kerk van Nuth in 1765
De pachthoeve geniet vrijstelling van alle openbare lasten, maar in 1765 komt het tot een geschil, omdat Willem Frijns geen vrachten heeft gereden voor de bouw van de nieuwe kerk in Nuth, omdat zijn landskommandeur dit niet toestond. Vanaf 1769 betaalt de hof de Leeuw wel een vat rogge aan de bijdrage voor de kapelaans van Nuth.

Meer dan 200 jaar zal de boerderij in de ijverige handen van de familie Frijns blijven. Opvallend is het lange kontakt met Nierhoven, waar de Frijnsen ook een boerderij hebben.  In 1763 is Willem Frijns met Marie José Nuchelmans getrouwd en er worden op de boerderij 7 kinderen geboren o.a. Frans Frijns in 1779. Ook Mathijs Frijns krijgt een groot gezin van 8 kinderen door zijn huwelijk met Maria Horstmans.

In de Franse tijd handhaaft zich de Frijns familie op de hoeve, terwijl de baron van Eynatten Reymersbeek moet verlaten. Frans Frijns, (geboren in 1757, zoon van Mathijs, die in Nirve woont) wordt in 1800 zelfs wethouder van Nuth. In 1818 wordt deze Frans (geboren in  1768, zoon van Willem) de nieuwe boer, hij is een paar maanden voor de slag van Waterloo getrouwd met Marie Caterine Frissen uit Hulsberg, die 13 jaar jonger is. Frans en zijn jongere broer Leonard Frijns, die met Elisabeth Frissen getrouwd is, wonen beiden op Nirve en de Leeuw en laten het personeel het werk doen.

Dat Frans in 1830 de eigenaar van de Leeuw is, bewijst zijn belasting f 24,69 tegen slechts  f 10,91 van Leonard.

Leonard wordt wethouder van Nuth van 1831 tot 1836. Na de dood van burgemeester Clootz op 23 november 1841, solliciteert Leonard naar deze vacante post, maar hij zelf overlijdt op 13 december van dat jaar.


Het bekendste is de laatste Frijns op Reymersbeek: Leonard, tien jaar lang over Nuth regeert als wethouder van 1917 tot 1928. Hij was ook eigenaar van de steenfabriek op Lui en was getrouwd met Elisabeth Claessen uit Brunssum. Na zijn dood werd Leonard Delahaye (geboren 1885  te Amstenrade) de nieuwe pachtboer. Hij was getrouwd met Maria Mertens en ze kregen 4 kinderen.

vrijdag 12 oktober 2012

Reijmersbeek door Hub Ritzen

De Heren van Eijnatten te Rijmersbeek 1626-1794
geschreven door Hub Ritzen in "Schetsen uit Nuth's verleden"
(alle rechten op de tekst bij familie Ritzen; voor meer info over het beeldmateriaal: info@NuthvanToen.nl)

Vóór  1626 was Nuth geen zelfstandige heerlijkheid, doch behoorde dit dorp tot de hoofdbank Klimmen.
In de tijd van Karel V (1500-1558) bestond het Land van Valkenburg, waarin Nuth gelegen was, uit de vier hoofdbanken Heerlen, Meersen, Klimmen en Beek en de oude Heerlijkheden Borgharen, Schinnen, Hoensbroek, Wijnandsrade, Geulle en Vaesrade, en verder nog TerBlijt, Eckelrade en Elsloo.
De overige dorpen vielen de onder de zo even genoemde hoofdbanken. Hiervan kregen er verschillende de heerlijke rechten in het begin van de 17e eeuw.
Philips II van Spanje
Om te kunnen voorzien in de zware oorlogskosten gingen koning Philips II (1527- 1598) van Spanje en zijn opvolgers, als hertogen van Brabant en Heren van Valkenburg, over tot verpanding en tot verkoop van verschillende dorpen die dan heerlijkheid werden. Dit gebeurde in 1626 ook met Nuth.

Reijmersbeek
 Toen Nuth op 20 augustus 1626 door de Koning van Spanje (voor deze de bewindvoerders voor Philips IV 1621-1665) aan Jhr. Steven van Eynatten te Reijmersbeek werd verpand als heerlijkheid voor 4300 Vlaamse ponden, kreeg deze nieuwe heer van Nuth het recht om een eigen schepenbank in te stellen. Naast de administratieve bevoegdheden bezat een schepenbank ook de rechtsmacht over haar gebied. Het bestuur van zo’n schepenbank was dus tweeledig.

Oorspronkelijk spraken de schepenen recht volgens het gewoonterecht, niet opgeschreven “costuymen” of rechtsregels maar later ook volgens geschreven rechtsregels. Ten aanzien van het administratief bestuur golden meestal plaatselijk gegroeide gebruiken. In latere tijden vastgelegd in diverse reglementen en ordonnanties. Dit alles noemde men het “bankrecht”.

Familiewapen van Eynatten
"ze zwemmen weg of  ze vliegen weg"
De verpanding van Nuth aan Jhr. Steven van Eynatten werd op 26 december 1626 aan de ingezetenen van Nuth bekend gemaakt door de luitenant drossaard van het Land van Valkenburg, Frederik van Randenraeth. De ingezetenen waren hiervoor samengestroomd op de openbare weg vóór de kerk (nabij café Harst). De luitenant drossaard  maakte de burgers met de nieuwe toestand bekend door voorlezing van de akte van verpanding en belening. Met deze verheffing tot Heerlijkheid moeten de Nuthenaren zeer ingenomen zijn geweest op dat moment. In alle geval was de openbare bijeenkomst zeer constructief. Er werd over deze verpanding van gedachte gewisseld  en reeds na een “korte samenspraeck en deliberatie”  waren zij het hiermede roerend eens en verklaarde de vergadering zich “eendrachtelyk”  accoord met deze verpanding van Nuth aan de heer van Reijmersbeek. Zij stelden enkele voorwaarden: ze moesten kunnen blijven bij hun oude gevestigde “costuymen”, “bankrecht”, voorrechten, vrijheden en immuniteiten.

Toen de Heer van Eynatten deze verklaring van de inwoners vernam, beloofde hij van zijn kant  “die inwoenderen daerby te laeten, hun naer syn Vermogen daerby te handhaven ende voerts niemant van die ondersaten anders te behandelen dan nae land- en banckrecht".
Jhr. Steven van Eynatten werd op deze voorwaarden als Heer van Nuth erkend en aangenomen door de burgerij. Hij kon de pas geboren heerlijkheid in pand aanvaarden, tegen een jaarlijks bedrag, ten einde deze te besturen tot bescherming van de goeden en tot bestraffing van de kwaden.
Hierop hebben de verzamelde inwoners de nieuwe Heer “trouw ende hold” beloofd.
Vanaf dat moment was Nuth dus niet meer afhankelijk van de hoofdbank Klimmen, doch een zelfstandige heerlijkheid, met eigen bestuur.
Jan Ulrich van Eynatten volgde zijn vader op en werd in 1642 door aankoop eigenaar van de heerlijkheid Nuth. Hij werd op 27 maart 1627 te Nuth geboren en overleed te Reijmersbeek op 8 juni 1677. Als eerste heer van Nuth is hij in het koor van de oude parochiekerk te Nuth begraven. Zijn  zoon Herman Theodoor van Eynatten was in 1694 heer van Nuth tegelijk met zijn moeder. Verklaringen en wederzijdse beloften, zoals bij de eerste inhuldiging in 1626, hadden plaats bij elke volgende inhuldiging  van een nieuwe heer. Zo verklaarde ook op 23 februari 1696 Jan Steven Baron van Eynatten en hij voegde er nog aan toe, dat hij zou handelen evenals zijn moeder die tot nu toe met haar kinderen de heerlijkheid had bestuurd.
Tot aan de opheffing van de heerlijkheid, tengevolge van de komst der Fransen tijdens de Franse revolutie in 1794, hebben de heren van Eynatten te Reijmersbeek de voormalige heerlijkheid Nuth in bezit gehad. De laatste Heer van Nuth was Karel Theodoor van Eynatten, geboren in 1757.  Tengevolge van de inlijving der landen van Overmaas bij de Franse Republiek, ging, zoals gezegd, de heerlijkheid Nuth ten gronde. De baron van Eynatten, die toen met zijn familie emigreerde, leed hierdoor grote schade aan zijn fortuin.

Hij keerde in 1801 terug naar Trips en overleed in 1842.


donderdag 11 oktober 2012

Reijmersbeek door Miel Bruls

De Heren van Reijmersbeek
geschreven door Miel Bruls in zijn boek "Mensen van Nuth"


(alle rechten op de tekst bij Miel Bruls; voor meer info over het beeldmateriaal: info@NuthvanToen.nl)

Het slot Reymersbeek ligt op de grens van de gemeente Schinnen, waar zijn bewoners reeds in de 15e eeuw naar de kerk gingen. Een eigen kerkweg voerde over een houten brug via de Breinder en langs de Papendoop naar de parochiekerk van Schinnen. In de rechterzijbeuk van deze kerk bezaten de heren van Reymersbeek een apart altaar en familiegraf.

Als in 1650 de protestantse Staten van Holland deze kapel in beslag willen nemen, reist de Heer van Reymersbeek, Steven van Eynatten, naar den Haag om zijn eigendom te verdedigen.  Hij betoogt, dat zijn voorvader Herman van Eynatten reeds in 1510 in de kerk van "Gebroken Schin " een kapel en kapelaan hebben onderhouden. Bovendien heeft diens zoon Johan van Eynatten in 1532 verklaard aan het altaar van O.L.Vrouw ter Nood in Schinnen 3 goudgulden schuldig te zijn. De Staten-Generaal willigt hierop zijn verzoek in, maar Steven van Eynatten sterft met 58 jaar in den Haag op 7 juli 1651.

Philips IV, koning van Spanje, had in 1626 heel Nuth voor 4300 Vlaamse ponden aan hem verkocht, omdat hij in geldnood zat vanwege de 80-jarige oorlog met de protestantse Hollanders. Op 26 december van dat jaar erkenden de burgers van Nuth, op een vergadering voor de kerk, Steven als hun nieuwe Heer. De baron kreeg na het vis- munt - en tolrecht, het recht om bomen langs de weg te planten en gevonden voorwerpen in beslag te nemen.
Voor een goed bestuur benoemde hij Schout en Schepenen, die bijeen kwamen in zijn grote kamer. Ook spraken zij recht en de toren van Reymersbeek werd als gevangenis ingericht, 40 trappen voerden naar de cel onder het dak. Op de driehoek nabij de latere spoorbrug werd de galg opgericht, want op het doodvonnis van de 7 Schepenen was geen hoger beroep mogelijk en het vonnis werd ter plaatse voltrokken.

Jan Ulrich van Eynatten volgt zijn vader op als Heer van Nuth, maar ook hij sterft jong in 1677. Zijn vrouw, Ferdinanda Salomé van Trips laat hem in het koor van de oude kerk van Nuth begraven, een teken, dat de banden met Schinnen losser zijn geworden. Schinnen en Nuth behoren anders beiden na het Partage tactaat van 1661 definitief tot Spanje. Herman van Eynatten, tevens kanunnik van de O.L.V.- kerk van Aken, is vervolgens Heer van Nuth tegelijk met zijn moeder Salomé. In 1662 leent hij f 1600 in Maastricht, want de Eynattens leven graag boven hun stand. Ook zijn broer Johan Steven klopt bij Jan Olislagers in die stad aan voor f 8.000.
Hij is gehuwd met Odile, barones van Horion (bij Luik). Hun 3 zonen Adolf, Frans en Maximiliaan zijn achtereenvolgens Heer van Nuth in de 18e  eeuw.  Zij hebben een eigen rentmeester o.a. Winand Habets, die in 1768 getuige is, als zijn heer Max Theobald bij de Schepen van Aken f 15.0000 leent met al zijn goederen als onderpand. Maximiliaan is gehuwd met Ludovica, barones van Mirbach. Op Reymersbeek wordt in die tijd 2 keer in de week een mis gelezen door een eigen rector o.a. door Reyner Koeckelkoren en Joannes Meens. De kapel bevindt zich in de vochtige kelder van het oude kasteel, dat in een moerasgebied ligt. Een ophaalbrug voerde toen naar de woning, die twee hoektorens had. In 1734 is Frans Roebroek uit Grijzegrubben kapelaan op Reymersbeek.

Pachter op de hoeve, Nicolaas Crijns sterft in 1740 op 33-jarige leeftijd en laat zijn vrouw Anna Crijns met 6 kinderen achter. Zijn opvolger is Ferdinand Kleuters, met Johanna Diederen getrouwd.  Pachters blijven nooit lang, als ze zich kunnen verbeteren. Ook boer Leonard Schiffelers van de Drenck in Nuth neemt de boerderij over, maar hij sterft er op 30 augustus 1775. Zijn zoon Gerard en zijn vrouw Agnes Gorissen ploeteren verder.  

De laatste heer van Reymersbeek wordt in 1782 Karel Theodoor van Eynatten, getrouwd met Balduina Amelia Walburgis, barones van Rolshausen. Hij laat het kasteel moderniseren, maar bij de komst van de Fransen wijkt hij uit naar Duitsland. Ook in Nuth wonen revolutionaire burgers, die de kastelen met hun heer liever zien branden. Te lang heeft de adel geprofiteerd van het harde werken van de boeren.  Maar van Eynatten woont veilig op zijn familiebezit slot Trips in Geilenkirchen, en wordt onder de Fransen zelfs burgemeester van die plaats.  Zijn zonen Friederich, Adolf en Ludwig zijn later alle drie in Pruisische dienst bij de Uhlanen.   Het Franse bestuur schaft ook de schepenbank af en Reymersbeek ligt er verlaten bij.
Pachter Henri Dewez, geboren in Berneau bij Visé, weduwnaar van Anne Haccourt, sterft er op 9 juli 1795 en daarna wordt de boerderij bewoond door Thomas Cremers- en zijn vrouw Barbara Lintjens met 8 knechten en 2 dienstmeiden. Zijn schoonmoeder Odilia Dautzenberg overlijdt er een paar jaar later met 90 jaar.

In 1801 keert van Eynatten nog even terug naar zijn oude familiebezit, maar op 15 maart 1809 verkoopt hij kasteel en pachthoeve met 99,36 ha grond aan de rechtsgeleerde Paul Lekens uit Maastricht, bij akte verleden voor notaris Kemmerling te Heerlen. Hierbij horen ook de Muldermolen, tussen Tull en de Breinder, met 6,058 ha en de Pletsmolen te Nuth met 4,51 ha grond en dat alles voor 75.000 Franse Francs. De koper is gerechtigd deze som te verminderen met frs.63.462 die hij aan de 10 schuldeisers van van Eynatten moet betalen. Bovendien moet hij jaarlijks de armen van Nuth van 1200 liter graan voorzien.
Lekens heeft niet lang genoten van zijn Heerlijkheid, want hij is 3 jaar later overleden.

In 1809, als hij Reymersbeek koopt, is  Paul Lambert Leekens 63 jaar. Hij is getrouwd met Marie Odile Janssen. Zijn zoon Paul August, geboren in 1776, staat hem bij in het beheer van het grote landgoed. Hij is getrouwd met Henriëtte de Montaigne. In 1813 wordt Paul August Lekens tot burgemeester van Nuth benoemd, want alleen vermogende burgers komen voor deze post in aanmerking. Hij vervult dit ambt tot 1818, en vertrekt dan met zijn gezin naar Maastricht, want het werk op de boerderij doet de Belg Jan Douven met 10 man personeel. Na de dood van zijn vader in 1822 beheert Paul Lekens vanuit Maastricht zijn bezit, met in Nuth Karel Limpens als rentmeester en Mathias Damoiseaux als pachter. Hij vangt  aan met het herstellen van zijn graanmolens aan de Platsbeek en in Thul.  In 1835 wordt Michael Smeets pachter, maar 5 jaar later worden zijn beesten en mater¡aal verkocht voor f 4.227. Pieter Joseph Humble wordt opzichter op  Reymersbeek en Lambert Heuts de nieuwe pachter gevolgd  door Jan Mulkens. Diens vrouw Marie Slangen is geboren in Lemberg ( nu Rusland ) tijdens de veldtocht van Napoleon.
De vele pachterswisselingen zijn het gevolg van de teruglopende winsten uit de landbouw.

Leekens heeft twee dochters, Pauline en Odile Leekens, beiden geboren in Maastricht. Na de dood van Paul August Lekens op 6 maart 1861 verhuurt zijn vrouw Henriette de Montaigne de Pletsmolen voor f 325 per jaar aan Peter Maas en de watermolen in Thul aan Jan Loop voor f 500 per jaar. Later is Loop op de loop en wordt Peters pachter voor f 450.
Pauline Lekens treedt op 19 april 1864 in het huwelijk met de jonge baron Alphons Hilaire Michiels van Kessenich uit Maastricht. De bruidegom stamt af van de burgemeester van Roermond, Henri van Kessenich, onder Napoleon Chevalier de l' Empire en in 1822 tot baron verheven.  Hendrik was een aanhanger van de Oranje's en wou van Roermond de hoofdstad van Limburg maken. Hij verwierf enorm veel bezit - 486 percelen - o.a. het kasteel Kessenich bij Thorn.

Zijn kleinzoon Alphons wordt in Nuth vader van Octave (* 1865) Cecile (* 1873) en Mar¡e - Louise van Kessenich.  50 jaar lang woont Michiels van Kessenich, die tevens lid is van de Staten en de 2e kamer, met Pauline en 2 dienstboden op het kasteel.  In 1896 wordt het spoor aangelegd over zijn gebied, maar als de baron zijn stok opsteekt, moet de trein bij zijn kasteeltje stoppen om hem te laten instappen.  
Meestal geeft hij de voorkeur aan de koets van zijn oude koetsier Pieter Joseph Royen, en diens neef, de herbergier Andries Royen uit de Kerkstraat in Nuth en de Belg Lambert Nijssen.
De baron maakt geregeld z.g. dienstreizen naar Maastricht, waar desnoods wordt overnacht. Op aanraden van de baron moet de post voortaan eerst op Reymersbeek en pas daarna in Vaesrade bezorgd worden.

Op de boerderij werkt Pieter Joseph Diederen en Anna Gertrud Mannens.  In 1886 verhuizen ze met hun 8 kinderen naar Schinnen en het echtpaar Laeven - Schiffelers neemt het werk over.  Als opzichter fungeert dan Hubert Hendrikx uit Swalmen, terwijl Lambert Broers uit Gronsveld rentmeester is.  In deze periode wisselen 30 dienstknechten en dienstmeiden elkaar af.

Ook Octave Francois Michiels van Kessenich vestigt zich in 1908 als rentenier definitief op Reymersbeek.  Hij is getrouwd met Hubertine Augustine von Pelser Berentsberg, die op 12 maart 1873 in oud- valkenburg geboren is. Hun 5 kinderen zijn allen geboren in Meerssen. De jongste dochter van de baron en Pauline Leekens is Cecile Louise Marie Victoire Michiels Van Kessenich, op 22 december 1872 in Nuth geboren. Zij zal de laatste barones op het kasteel zijn. Zij treedt in 1897 in het huwelijk met haar neef George Michiels van Kessenich, die in Roermond geboren is. Rond 1900 worden ook in Roermond hun beide dochters geboren: Margaret en Judy en op Reymersbeek komt de Engelse Veronica Lucy o' Hanbon in dienst als gouvernante.

Pachter op de boerderij wordt op 11 maart 1911 de Belg Gerard  Lemans, getrouwd met Stefanie Vroonen. Zij hebben 11 kinderen bijna allen geboren in Gutshoven bij Tienen. Silvain trouwt op 7 februari 1923 met Maria Bruls uit Hellebroek en neemt de pacht over. Op dezelfde dag trouwt zijn broer Renier met een zus van zijn vrouw, en gaat in de Ping boeren.

Ook na de dood van haar man in 1949 blijft de oude barones Cecile actief in Nuth. Niemand doet vergeefs op haar een beroep. Haar chauffeur rijdt haar met de DAF overal heen. De kinderen nemen met eerbied de pet af, als ze haar zien. In de kerk zit ze op de eerste bank en van menige vereniging is zij erelid.  Haar dochter Judy, kunstschilderes, trouwt met Sweder van Wijnbergen, burgemeester van Wassenaar. In Nuth verschijnt deze baron in de Hoogmis in pofbroek met geruite kousen.

Kort na de oorlog sterft baron George met 82 jaar en wordt in Nuth begraven. Cecile overleeft hem. 94 jaar is zij in 1967, als ze sterft, in het zelfde jaar als haar schoonzoon. Zij wordt begraven te Kessenich en in Nuth wordt de zerk van haar man opgegraven en naar dat familiegraf gebracht. Haar dochter Judy sterft  5 jaar later in Wassenaar. Met de dood van de barones heeft de adel voorgoed het kasteel verlaten, dat nu in het bezit komt van de gewone burger.

maandag 8 oktober 2012

Nierhoven door Jos Habets



Jos Habets
Jos Habets beschrijft in zijn boek uit 1880:

de historie van Nierhoven (Neerhoven, Nierven, Nirve)  te Nuth.

De hier gegeven samenvatting  is gebaseerd op de inhoud van het betreffende hoofdstuk in het boek van Jos Habets die de situatie in 1880 omschrijft:


Dit fraaie landgoed, gelegen in de buurt Neerhoven of Nierven, op den oever eener kleine beek is achtereenvolgens in bezit geweest der families Canisius, van der Meer en De Limpens.

Uit de familie Canisius, ook genoemd Hundjens, te Nuth, sproten onder andere:

  • Leonard Hundjens, alias Canisius, pastoor te Nuth van 1579 tot 1623;
  • diens broederszoon Steven Canisius pastoor te Schinnen en deken van het Land van Valkenburg in 1639;
  • Steven Canisius rector van het altaar van den H. Gregorius in het gasthuis te Gangelt die den 26 juni 1622 overleed en in de Kerk van Amstenrade begraven werd.

Servaas Canisius, te Neerhoven, was gehuwd met Maria Hamers, overleden den 24 maart 1672, en telde onder andere de kinderen

  • Servaas Canisius, alias Hundjens, J.U.L., geboren te Nuth den 1 September 1629 , kanunnik der collegiale kerk van St. Paul te Luik en raadsheer van den prins-bisschop Joseph Clemens van Beijeren, in 1690.
  • Steven Canisius, geboren te Nuth den 28 februari 1632
  • Melchior Canisius, geboren te Nuth den 14 januari 1634, achtereenvolgens kanunnik der collegiale kerken van het H. Kruis en van St. Paul te Luik, overleden te Luik den 18 januari 1711
  • Willem Canisius, secretaris der Scheepenbank te Nuth , overleden in 1708

Uit de familie Canisius, alias Hundjens, ging het landgoed Neerhoven, bij erfenis, over aan de familie van der Meer te Tongeren.
Jan Willem van der Meer, J.U.L., zoon van Willem van der Meer, scholtis (NvT: Schout) te Tongeren en Agnes van Hamont, huwde te Nuth den 5 Augustus 1731, Maria Elisabeth, dochter van Michiel Canisius en Catherina Elisabeth Fransen, eigenaren van het landgoed Neerhoven.

Uit dit huwelijk sproten 11 kinderen:
1) Maria Barbara Bernardina * 21 aug 1732
2) Willem Joseph
3) Catherina Elisabeth * 7 aug 1738
4) Agnes Theresia Josepha, Begga * 17 dec 1739
5) Maria Catherina Josepha * 2 juli 1741
6) Willem Servaas Joseph Justinus * 14 nov 1742
7) Barbara Bernardina * 15 dec  1743
8) Mathias Pihilipus * 1 mei 1745
9) Joannes Ludovicus Maximus *20 oct 1746
10) Joannes Ludovicus Andreas Joseph  * 9 jan 1748
11) Jan Frederik Frans * 6 aug 1751

Manshoven maakte deel uit van de heerlijkheid Sassenbroek
bij Tongeren (B). De laatste heren van de heerlijkheid waren
de familie van der Meer van 1736 tot 1793
(bron: www.grootheers.be)
Willem Joseph van der Meer ('2' hierboven), heer te Sassebroeck en Manshoven, huwde te Brussel Maria Catherina De Kinder.
Uit dit huwelijk sproten :

  • Philip Jacob Pieter jan * 4 feb 1770
  • Catherina Josephina Philippina * 17 aug 1771


Mathias Philipus van der Meer ('8' hierboven) kocht de heerlijkheden van zijn broer Willem Joseph en werd heer te Sassebroeck en Manshoven en was scholtis te Nuth. Hij  huwde te Heinsberg met Aloysia von Brinck, geboren Gratz in Styrie (NvT: Graz Steiermark Oostenrijk)
Uit dit huwelijk sproten:
1) Jan Antoon Hendrik * 29 aug 1774
2) Anna Elisabeth * 19 april 1777
3) Theresia Aloysia * 20 sept. 1778
4) Frederica Catharina Elisabeth * 15 juli 1781
5) Helena Antonetta Joanna * 27 jan 1787

De erfgenamen van Mathias Philipus verkochten het landgoed Neerhoven aan Frans Nicolaas Augustinus  De Limpens, priester, geboren te Hoensbroeck den 4  aug.  1736 en overleden te Nuth den  11 feb.r. 1811.

Vlugschrift van Simon Pieter Ernst
Pastoor te Afden (Herzogenrath)
Deze man was een vriend van den Limburgschen geschiedschrijver Simon Pieter Ernst, pastoor te Afden, en met hem een voorstander van het gevoelen dat de geestelijken zonder gewetensbezwaar den eed van getrouwheid aan de Fransche Republiek mochten afleggen. Hij vertaalde twee Fransche vlugschriften van Ernst over deze strijdvraag, namelijk: Entretien d'un curé et d'un laïc en : Examen de la seconde lettre d'un Jurisconsulte francais sur la question  si on peut comminiquer in divinis avec les assermentés.

De Limpens heeft voormelden eed gedaan den 6 october 1797, zoo als hij blijkt uit het volgende uitreksel uit een brief van H.G. Crahay, commissaris bij het Crimineele gerrechtshof te Maastricht, aan Jan Arnold Daniëls pastoor te Schaesber, die dezelfde gevoelens aankleefde als De Limpens en ook den eed had afgelegd:

Maastricht den 7 october 1797
....reeds hebben zeven priesters sedert gisterenmorgen de voormelden eed alhier gedaan, waaronder den heer pastoor roemers, broeder van den Commissaris der uitvoerende magt, en onzen gemeenschappelijken vriend den Eerw.  heer priester De Limpens. Den Scholaster Cruts (NvT: Opzichter over de kloosterscholen van het kapittel, tevens zegelbewaarder der kapittels en belast met de zorg voor de archieven)  heeft gisteren in de municipale vergadering  van alhier, in bijwezen van een menigte capitulairen en andere priesters, openlijk verklaart, dat hij heden den voornoemden eed zoude doen. Het doet mij leed en spijt ten hoogstendat de pastoor Penners, te heerlen, die als raisonnabel en verstandig man bekent is, U Eerwaardes exempel niet gevolgd heeft.

Bij het overlijden van den Eerw. Heer De Limpens kwam Neerhoven aan zijn neef Leonardus Bernardus Maria Maximilianus Joseph De Limpens geboren te Maastricht den 1 juli 1775 en aldaar overleden den 2 Maart 1847.

Deze liet Neerhoven aan Karel De Limpens, kantonrechter te Heerlen en lid der tweede kamer der Staten Generaal, een zoon van zijn broeder Karel Lotharius. Het behoort nu (NvT: 1880) aan diens erfgenamen


Voor een meer gedetailleerde beschrijving, ook van de latere periode,  wordt verwezen naar het hoofdstuk  "Nierhoven"  geschreven door Miel Bruls in zijn boek "Mensen van Nuth"


zondag 7 oktober 2012

Nierhoven door Miel Bruls




Nierhoven
geschreven door Miel Bruls in zijn boek "Mensen van Nuth"

(alle rechten op de tekst bij Miel Bruls; voor meer info over het beeldmateriaal: info@NuthvanToen.nl)

Tot de eerste bewoners van dit prachtig landhuis behoort Herman Huntjens in het midden van de 16e eeuw. Hij is getrouwd met ene Johanna en vader van 7 kinderen. 
Zijn oudste zoon Leonard Huntjens is pastoor van Nuth van 1579 tot 1623. Zijn zoon Servaes Huntjens, ook Vaes de Oude genoemd, is getrouwd met Jutta Renckens en ook zij hebben twee priesterzonen: Leonard, die later pastoor van Meerssen wordt en Steven Huntjens, pastoor van Schinnen. 
Het moet een diep gelovige familie zijn geweest, maar voor deze benoemingen, moest men vooral over veel geld beschikken. En Servaes, die tevens pachter van de Bergerhof en de Nuinhof was, was een rijk man. 

De Bergerhof was gelegen in het dal tussen Tervoorst en Grijzegrubben.  Huntjens of Hontjens komt van hond, en de Latijnse naam is hiervoor Canis. Zodoende wordt de familie voor de kerk ook Canisius genoemd. 

"Vaes de Jonge" trouwt in 1628 met Maria Hamers en ook zij krijgen veel kinderen. Twee zonen, Servaes en Melchior Canisius, worden kanunnik van de St. Paul te Luik.  Zij zijn, na de dood van hun vader in 1666, mede-eigenaar van kasteel Nierhoven, en het bakhuis wordt op last van Melchior verbouwd tot kapel, om er in 20 jaar tijd 1000 missen op te dragen.

Servaes Huntjens en zijn vrouw Maria Hamers liggen begraven op het oude kerkhof van Nuth, waar nu nog hun grafsteen staat, versierd met hun wapen en een hazewindhond. Hun zoon Willem Canisius wordt in Nuth secretaris van de schepenbank, en hij heeft Elisabeth Corten uit Hellebroek als vrouw. In het voorjaar van 1708 sterven ze allebei. 

Hun zoon Michael volgt hen op en trouwt in 1711 met Katrien Franssen uit Wijnandsrade.  Op 21 mei 1712 wordt hun enige dochter Maria Elisabeth geboren. De buren Ercken Hermans en Joanna Brandts werken in die tijd op de boerderij. 

Als hun heer Michael met 34jaar sterft, beheert zijn zus Maria als  "de juffrouw Canisius" de kapitale hoeve tot 1731. Maar als Maria Elisabeth Huntjens 21 jaar is, is ze een goede partij voor Jan Willem van der Meer, zoon van de schout van Tongeren en Agnes Hamont. Hij wordt de nieuwe heer en op Nirve worden in 20 jaar tijds 11 kinderen geboren. Het werk op de boerderij wordt intussen gedaan door de pachters Claes Snackers, Mathijs Frissen en Mathijs Tullenaers. Deze pachters van de grond wonen en werken aan de binnenplaats van het kasteel. 
Willem van der Meer overlijdt in 1754 op Nirve.

In 1757 is er een konflikt over het gebruik van de z.g. Daelder bank in de kerk van Nuth tussen de Heren van de Dael en Nirve. Ze wordt toegewezen aan Nierhoven, omdat Michael Canisius de bank altijd gebruikt heeft. 
In het zelfde jaar op 15 mei overlijdt Johan Meex in Nierhoven aan een slag op het hoofd, verricht door zijn broer Simon. Het handgemeen om 2 karren mest vond plaats op 30 april en de hulp van Chirurgijn Roebroeks, in Heerlen, zou  fataal zijn geweest, en daarom komen 3 doktoren naar Nierhoven om het lijk te schouwen. 

Willem van der Meer is de nieuwe heer en zijn vrouw Maria de Kinder krijgt in 1771 een kind. Maar Willem voelt zich niet thuis in het eenzame dal, waar de nevel eeuwig boven de grote vijvers blijft hangen. Hij verruilt de heerlijkheid voor het levendige Brussel en laat Nierhoven aan zijn broer Philip. Philip van der Meer is schout van Nuth en secretaris van de Schepenbank in Reymersbeek. Hij steunt de Franse bezetters, met hun leuzen van vrijheid en gelijkheid, waarop ook mensen van geringe stand van Nuth wachten. Want ook Philip is zo arm, dat hij bij zijn zoon Simon 500 Franse Kronen moet lenen om grond te kopen. Op 30 januari 1794 is hij als burger present op de zitting van de nieuwe raad met Clootz,  Ritzen en Goossens.  
Ofschoon Philip van der Meer van lage adel is, wordt hij in Nuth tot agent municipal benoemd. Ook zijn dochter Therèse is in dienst van de Fransen als secretaresse van het kanton Oirsbeek. Philip is in Heinsberg getrouwd met Alouisia de Brinck uit Gratz in Stiermarken. Zijn zus Agnes is in het klooster te Tongeren. 

De boeren van Nuth moeten de verschuldigde belasting naar het kasteel brengen, voor hen verandert er weinig. Alleen de grote boeren van Nirve, zoals Mathijs Brandts en Mathijs Meex, leveren aan het franse leger. 

Als pachtboer woont ook Hendrik Ackermans en zijn vrouw Margriet Loyens op de hoeve. Nu de graanprijzen weer stijgen, worden de weilanden omgeploegd. Anton van der Mee¡ lost de schuld van zijn vader af en verkoopt het landgoed in de Franse Tijd aan de priester Nicolaas de Limpens. Ook deze is een aanhanger van de Franse Revolutie en heeft in 2 vlugschriften de eed van trouw van de priesters aan het Franse bestuur verdedigd. Zijn vader, Carel Lothar de Limpens, is rentmeester op Reymersbeek. De Limpens sterft in Nuth op 11 februari 1811, 74jaar oud. Zijn neef Leonard de Limpens, uit Maastricht, 35 jaar, volgt hem op tot zijn dood in 1847. 
De vrijgezel Karel de Limpens, kantonrechter te Heerlen, wordt eigenaar en verhuurt de woning, want zelf woont hij in het z.g. Klimmender huisje. Bij zijn dood in 1866 krijgt elk arm gezin, dat de begrafenis
bijwoont, 2 francs. Zijn erven blijven in Douvenrade en in de Belgische Kempen wonen en verhuren het goed in Nuth. 

ln de 2e helft van de 19e eeuw is de familie Meex pachter van de
boerderij. Simon Meex met zijn vrouw Helene Goessens worden opgevolgd door de vrijgezel Pieter Meex, die met 6 ongehuwde broers en zusters de hoeve beheert.  Mathijs Weusten is er in dienst als schaapherder, want gras groeit er genoeg rond de vijvers. 

De oostelijke vleugel wordt gehuurd door vreemden, die apart willen wonen, en van hun korte leven willen genieten. Maar vaak is het vergane glorie... Lodewijk Sandberg houdt er zelfs Susanne Minor als dienst meisje op na.  In 1875 betrekt de oude legerkapitein Keyzer de deftige woning. Hij is met Rosa Ran uit Wärzburg gekomen. Ook de rentenier Alois Berger komt van Duitsland en geniet er van de landelijke rust, totdat de gemeente-ontvanger Frans Meex bij zijn broer de pachter gaat wonen. 
Op de boerderij zijn 72 knechten en 2 dienstmeisjes in dienst. 

Van 1895 tot 1898 renteniert Jan Peusens er en zijn dienstmeisje Margreeth Just uit Silezië promoveert tot kasteevrouwe door haar huwelijk met ingenieur Verbunt. Ze permitteert zich zelfs een koetsier. In 1920 koopt de rijke "brikkebekker" Koten uit Hommert het grote huis en Gabriël woont er met zijn zus Maria. Een laan van populieren verbindt hun huis met de villa van hun broer Vic aan de Valkenburgerweg.

In 1945 komt het jonge paar Albert Crapels en Lies Wouters bij hen wonen, terwijl op de binnenplaats de melkbussen ratelen van melkboer Maes.
Maria Koten sterft in 1953 en de gemeente Nuth koopt het landgoed, groot 11 ha op 22 april 1955 voor f 76.094. Na een grondige restauratie wordt het tot 1975 de ambtswoning van burgemeester Schmedding en zijn grote gezin.  
Als zijn opvolger Chris Rutten pleit voor strengere aanpak van de baldadige jeugd, vliegt er op 21 oktober 1979  een "Molotovcoctail" door het venster, die de voorkamer totaal verwoest. De schade in de zaal bedraagt f. 40.000 maar de bewoners blijven ongedeerd.  

Sinds 1986 woont de familie Takx - Köhlen op het idyllisch gelegen kasteel, een gedenkteken van "Nuth's rijke verleden"

vrijdag 5 oktober 2012

De Nuinhof door Jos Habets



Jos Habets beschrijft in zijn boek uit 1880:


de historie van het Nieuwenhof (de Nuinhof)  te Nuth.


De ruim 500 jaar oude hoeve (eerste  vermelding 1381)  werd in 1934 afgebroken om plaats te maken voor de aanleg van de Autoweg (nu A76).

De hier gegeven samenvatting  is gebaseerd op de inhoud van het betreffende hoofdstuk in het boek van Jos Habets.

De hoeve is onder meerder namen bekend en aangeduid, zoals:  Nieuwenhof,  Nuwenhoff, Nuenhof, Nova villa, Nova  curia en Curtis nova. Tegenwoordig is de meest bekende aanduiding "Nuinhof"

Habets beschrijft de ligging in 1880 als volgt: "...ten Oosten van Nuth, ongeveer tegenover het huis de Dael, maar aan de overkant van de landweg..."  en die beschrijving illustreert  hoe weinig  bebouwing er in die tijd in Nuth was.

Kaart Nuth 1862
Op boven staande kaart uit 1862 is te zien hoe De Dael en De Nuinhof,  los van de Nuthse dorpskern,  links en rechts van "de landweg"  van Nuth naar Vaesrade liggen.  

Ter oriëntatie naar de huidige situatie is op het kaartje hiernaast de toenmalige ligging van de Nuinhof bij benadering aangegeven. De Nuinhof strekte zich uit van de plek waar nu de snelweg over de Nuinhofstraat gaat tot aan de geleenbeek.



Rond 1380 zou  "De Nuinhof" een achterleen van het huis van Valkenburg genoemd mogen worden. In die tijd was de Nuinhof leen verschuldigd aan het adellijke huis van Merkelbeek welk op haar  beurt leen moest betalen aan het huis van Valkenburg.
In 1381 was Johan Printhagen eigenaar van de leenroerige  "Nuinhof"  waartoe ook de leenroerige "grote Tiende van Nuth"  behoorde.
De inwoners van de parochie Nuth betaalden in die tijd  10% belasting aan eigenaar van de Nuinhof. Voor die tijd moest de belasting betaald worden aan de familie van den Bongart te Wijnandsrade.

Op 12 augustus  1419 verkoopt Waleram van Printhagen "De Nuinhof" (met alle bijbehorende rechten en plichten) voor 1535 Rijnsche gulden aan de Deken en het Kapittel der Kerk van Onze Lieve Vrouw te Aken: "met synen hovereyden, huysinge, ackerland, bembden, weyden, weyeren, leenene, mannen, laten, cynsen, capuynen"enz. (personeel en vetgemeste hanen worden in een adem genoemd)

Het Kapittel kon de koop van de "Nuinhof en tiende van Nuth"  betalen met gelden uit een "schenking" waaraan als voorwaarde verbonden was dat  de opbrengsten uit die schenking (dus ook de opbrengsten van de Nuinhof)  voor 2/3 aan de Deken en voor 1/3 aan het kapittel gingen.

Op 30 maart 1420 ruilt de Deken zijn recht op 2/3 deel van de opbrengsten op de Nuinhof met  de rechten op landgoederen bij Aken en Eupen en is het kapittel volledig bezitter van de Nuinhof (met bijbehorende rechten en plichten)

De belasting (de grote Tiende) die de inwoners van de parochie Nuth aan de Nuinhof moesten betalen werd  verdeeld tussen het kapittel (2/3)  en de pastoor van Nuth(1/3).  Bovendien kreeg de pastoor van Brunsum elk jaar nog 5 vaten meel.

Deze situatie met het kapittel van Aken als eigenaar en opeenvolgende pachtboeren op de Nuinhof blijft ruim 300 jaar voortbestaan tot de Franse revolutie. In 1794 wordt de Nuinhof publiekelijk geveild en verkocht aan Werner Joseph Wolff (vrederechter te Oirsbeek). Wolff verkoopt de Nuinhof enige jaren  later aan Jan Frans Kerckhoffs uit Grijzegrubben.

Jan Frans Kerckhoffs  was schepen/burgemeester en arts te Nuth . Een van zijn kinderen is Joseph, Romain, Louis Kerckhoffs. Hij was vooraanstaand arts in het leger van Napoleon en na 1815 oppergeneesheer der Nederlandse krijgshospitalen. Van zijn hand verschenen talrijke publicaties ter bevordering van de (militaire) geneeskunde en bestrijding van de kwakzalverij.

In 1880 was de Nuinhof verdeeld in twee hofsteden.

Voor een meer gedetailleerde beschrijving, ook van de latere periode,  wordt verwezen naar het hoofdstuk  "De Nuinhof "  geschreven door Miel Bruls in zijn boek "Mensen van Nuth"