vrijdag 12 oktober 2012

Reijmersbeek door Hub Ritzen

De Heren van Eijnatten te Rijmersbeek 1626-1794
geschreven door Hub Ritzen in "Schetsen uit Nuth's verleden"
(alle rechten op de tekst bij familie Ritzen; voor meer info over het beeldmateriaal: info@NuthvanToen.nl)

Vóór  1626 was Nuth geen zelfstandige heerlijkheid, doch behoorde dit dorp tot de hoofdbank Klimmen.
In de tijd van Karel V (1500-1558) bestond het Land van Valkenburg, waarin Nuth gelegen was, uit de vier hoofdbanken Heerlen, Meersen, Klimmen en Beek en de oude Heerlijkheden Borgharen, Schinnen, Hoensbroek, Wijnandsrade, Geulle en Vaesrade, en verder nog TerBlijt, Eckelrade en Elsloo.
De overige dorpen vielen de onder de zo even genoemde hoofdbanken. Hiervan kregen er verschillende de heerlijke rechten in het begin van de 17e eeuw.
Philips II van Spanje
Om te kunnen voorzien in de zware oorlogskosten gingen koning Philips II (1527- 1598) van Spanje en zijn opvolgers, als hertogen van Brabant en Heren van Valkenburg, over tot verpanding en tot verkoop van verschillende dorpen die dan heerlijkheid werden. Dit gebeurde in 1626 ook met Nuth.

Reijmersbeek
 Toen Nuth op 20 augustus 1626 door de Koning van Spanje (voor deze de bewindvoerders voor Philips IV 1621-1665) aan Jhr. Steven van Eynatten te Reijmersbeek werd verpand als heerlijkheid voor 4300 Vlaamse ponden, kreeg deze nieuwe heer van Nuth het recht om een eigen schepenbank in te stellen. Naast de administratieve bevoegdheden bezat een schepenbank ook de rechtsmacht over haar gebied. Het bestuur van zo’n schepenbank was dus tweeledig.

Oorspronkelijk spraken de schepenen recht volgens het gewoonterecht, niet opgeschreven “costuymen” of rechtsregels maar later ook volgens geschreven rechtsregels. Ten aanzien van het administratief bestuur golden meestal plaatselijk gegroeide gebruiken. In latere tijden vastgelegd in diverse reglementen en ordonnanties. Dit alles noemde men het “bankrecht”.

Familiewapen van Eynatten
"ze zwemmen weg of  ze vliegen weg"
De verpanding van Nuth aan Jhr. Steven van Eynatten werd op 26 december 1626 aan de ingezetenen van Nuth bekend gemaakt door de luitenant drossaard van het Land van Valkenburg, Frederik van Randenraeth. De ingezetenen waren hiervoor samengestroomd op de openbare weg vóór de kerk (nabij café Harst). De luitenant drossaard  maakte de burgers met de nieuwe toestand bekend door voorlezing van de akte van verpanding en belening. Met deze verheffing tot Heerlijkheid moeten de Nuthenaren zeer ingenomen zijn geweest op dat moment. In alle geval was de openbare bijeenkomst zeer constructief. Er werd over deze verpanding van gedachte gewisseld  en reeds na een “korte samenspraeck en deliberatie”  waren zij het hiermede roerend eens en verklaarde de vergadering zich “eendrachtelyk”  accoord met deze verpanding van Nuth aan de heer van Reijmersbeek. Zij stelden enkele voorwaarden: ze moesten kunnen blijven bij hun oude gevestigde “costuymen”, “bankrecht”, voorrechten, vrijheden en immuniteiten.

Toen de Heer van Eynatten deze verklaring van de inwoners vernam, beloofde hij van zijn kant  “die inwoenderen daerby te laeten, hun naer syn Vermogen daerby te handhaven ende voerts niemant van die ondersaten anders te behandelen dan nae land- en banckrecht".
Jhr. Steven van Eynatten werd op deze voorwaarden als Heer van Nuth erkend en aangenomen door de burgerij. Hij kon de pas geboren heerlijkheid in pand aanvaarden, tegen een jaarlijks bedrag, ten einde deze te besturen tot bescherming van de goeden en tot bestraffing van de kwaden.
Hierop hebben de verzamelde inwoners de nieuwe Heer “trouw ende hold” beloofd.
Vanaf dat moment was Nuth dus niet meer afhankelijk van de hoofdbank Klimmen, doch een zelfstandige heerlijkheid, met eigen bestuur.
Jan Ulrich van Eynatten volgde zijn vader op en werd in 1642 door aankoop eigenaar van de heerlijkheid Nuth. Hij werd op 27 maart 1627 te Nuth geboren en overleed te Reijmersbeek op 8 juni 1677. Als eerste heer van Nuth is hij in het koor van de oude parochiekerk te Nuth begraven. Zijn  zoon Herman Theodoor van Eynatten was in 1694 heer van Nuth tegelijk met zijn moeder. Verklaringen en wederzijdse beloften, zoals bij de eerste inhuldiging in 1626, hadden plaats bij elke volgende inhuldiging  van een nieuwe heer. Zo verklaarde ook op 23 februari 1696 Jan Steven Baron van Eynatten en hij voegde er nog aan toe, dat hij zou handelen evenals zijn moeder die tot nu toe met haar kinderen de heerlijkheid had bestuurd.
Tot aan de opheffing van de heerlijkheid, tengevolge van de komst der Fransen tijdens de Franse revolutie in 1794, hebben de heren van Eynatten te Reijmersbeek de voormalige heerlijkheid Nuth in bezit gehad. De laatste Heer van Nuth was Karel Theodoor van Eynatten, geboren in 1757.  Tengevolge van de inlijving der landen van Overmaas bij de Franse Republiek, ging, zoals gezegd, de heerlijkheid Nuth ten gronde. De baron van Eynatten, die toen met zijn familie emigreerde, leed hierdoor grote schade aan zijn fortuin.

Hij keerde in 1801 terug naar Trips en overleed in 1842.


Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen