donderdag 11 oktober 2012

Reijmersbeek door Miel Bruls

De Heren van Reijmersbeek
geschreven door Miel Bruls in zijn boek "Mensen van Nuth"


(alle rechten op de tekst bij Miel Bruls; voor meer info over het beeldmateriaal: info@NuthvanToen.nl)

Het slot Reymersbeek ligt op de grens van de gemeente Schinnen, waar zijn bewoners reeds in de 15e eeuw naar de kerk gingen. Een eigen kerkweg voerde over een houten brug via de Breinder en langs de Papendoop naar de parochiekerk van Schinnen. In de rechterzijbeuk van deze kerk bezaten de heren van Reymersbeek een apart altaar en familiegraf.

Als in 1650 de protestantse Staten van Holland deze kapel in beslag willen nemen, reist de Heer van Reymersbeek, Steven van Eynatten, naar den Haag om zijn eigendom te verdedigen.  Hij betoogt, dat zijn voorvader Herman van Eynatten reeds in 1510 in de kerk van "Gebroken Schin " een kapel en kapelaan hebben onderhouden. Bovendien heeft diens zoon Johan van Eynatten in 1532 verklaard aan het altaar van O.L.Vrouw ter Nood in Schinnen 3 goudgulden schuldig te zijn. De Staten-Generaal willigt hierop zijn verzoek in, maar Steven van Eynatten sterft met 58 jaar in den Haag op 7 juli 1651.

Philips IV, koning van Spanje, had in 1626 heel Nuth voor 4300 Vlaamse ponden aan hem verkocht, omdat hij in geldnood zat vanwege de 80-jarige oorlog met de protestantse Hollanders. Op 26 december van dat jaar erkenden de burgers van Nuth, op een vergadering voor de kerk, Steven als hun nieuwe Heer. De baron kreeg na het vis- munt - en tolrecht, het recht om bomen langs de weg te planten en gevonden voorwerpen in beslag te nemen.
Voor een goed bestuur benoemde hij Schout en Schepenen, die bijeen kwamen in zijn grote kamer. Ook spraken zij recht en de toren van Reymersbeek werd als gevangenis ingericht, 40 trappen voerden naar de cel onder het dak. Op de driehoek nabij de latere spoorbrug werd de galg opgericht, want op het doodvonnis van de 7 Schepenen was geen hoger beroep mogelijk en het vonnis werd ter plaatse voltrokken.

Jan Ulrich van Eynatten volgt zijn vader op als Heer van Nuth, maar ook hij sterft jong in 1677. Zijn vrouw, Ferdinanda Salomé van Trips laat hem in het koor van de oude kerk van Nuth begraven, een teken, dat de banden met Schinnen losser zijn geworden. Schinnen en Nuth behoren anders beiden na het Partage tactaat van 1661 definitief tot Spanje. Herman van Eynatten, tevens kanunnik van de O.L.V.- kerk van Aken, is vervolgens Heer van Nuth tegelijk met zijn moeder Salomé. In 1662 leent hij f 1600 in Maastricht, want de Eynattens leven graag boven hun stand. Ook zijn broer Johan Steven klopt bij Jan Olislagers in die stad aan voor f 8.000.
Hij is gehuwd met Odile, barones van Horion (bij Luik). Hun 3 zonen Adolf, Frans en Maximiliaan zijn achtereenvolgens Heer van Nuth in de 18e  eeuw.  Zij hebben een eigen rentmeester o.a. Winand Habets, die in 1768 getuige is, als zijn heer Max Theobald bij de Schepen van Aken f 15.0000 leent met al zijn goederen als onderpand. Maximiliaan is gehuwd met Ludovica, barones van Mirbach. Op Reymersbeek wordt in die tijd 2 keer in de week een mis gelezen door een eigen rector o.a. door Reyner Koeckelkoren en Joannes Meens. De kapel bevindt zich in de vochtige kelder van het oude kasteel, dat in een moerasgebied ligt. Een ophaalbrug voerde toen naar de woning, die twee hoektorens had. In 1734 is Frans Roebroek uit Grijzegrubben kapelaan op Reymersbeek.

Pachter op de hoeve, Nicolaas Crijns sterft in 1740 op 33-jarige leeftijd en laat zijn vrouw Anna Crijns met 6 kinderen achter. Zijn opvolger is Ferdinand Kleuters, met Johanna Diederen getrouwd.  Pachters blijven nooit lang, als ze zich kunnen verbeteren. Ook boer Leonard Schiffelers van de Drenck in Nuth neemt de boerderij over, maar hij sterft er op 30 augustus 1775. Zijn zoon Gerard en zijn vrouw Agnes Gorissen ploeteren verder.  

De laatste heer van Reymersbeek wordt in 1782 Karel Theodoor van Eynatten, getrouwd met Balduina Amelia Walburgis, barones van Rolshausen. Hij laat het kasteel moderniseren, maar bij de komst van de Fransen wijkt hij uit naar Duitsland. Ook in Nuth wonen revolutionaire burgers, die de kastelen met hun heer liever zien branden. Te lang heeft de adel geprofiteerd van het harde werken van de boeren.  Maar van Eynatten woont veilig op zijn familiebezit slot Trips in Geilenkirchen, en wordt onder de Fransen zelfs burgemeester van die plaats.  Zijn zonen Friederich, Adolf en Ludwig zijn later alle drie in Pruisische dienst bij de Uhlanen.   Het Franse bestuur schaft ook de schepenbank af en Reymersbeek ligt er verlaten bij.
Pachter Henri Dewez, geboren in Berneau bij Visé, weduwnaar van Anne Haccourt, sterft er op 9 juli 1795 en daarna wordt de boerderij bewoond door Thomas Cremers- en zijn vrouw Barbara Lintjens met 8 knechten en 2 dienstmeiden. Zijn schoonmoeder Odilia Dautzenberg overlijdt er een paar jaar later met 90 jaar.

In 1801 keert van Eynatten nog even terug naar zijn oude familiebezit, maar op 15 maart 1809 verkoopt hij kasteel en pachthoeve met 99,36 ha grond aan de rechtsgeleerde Paul Lekens uit Maastricht, bij akte verleden voor notaris Kemmerling te Heerlen. Hierbij horen ook de Muldermolen, tussen Tull en de Breinder, met 6,058 ha en de Pletsmolen te Nuth met 4,51 ha grond en dat alles voor 75.000 Franse Francs. De koper is gerechtigd deze som te verminderen met frs.63.462 die hij aan de 10 schuldeisers van van Eynatten moet betalen. Bovendien moet hij jaarlijks de armen van Nuth van 1200 liter graan voorzien.
Lekens heeft niet lang genoten van zijn Heerlijkheid, want hij is 3 jaar later overleden.

In 1809, als hij Reymersbeek koopt, is  Paul Lambert Leekens 63 jaar. Hij is getrouwd met Marie Odile Janssen. Zijn zoon Paul August, geboren in 1776, staat hem bij in het beheer van het grote landgoed. Hij is getrouwd met Henriëtte de Montaigne. In 1813 wordt Paul August Lekens tot burgemeester van Nuth benoemd, want alleen vermogende burgers komen voor deze post in aanmerking. Hij vervult dit ambt tot 1818, en vertrekt dan met zijn gezin naar Maastricht, want het werk op de boerderij doet de Belg Jan Douven met 10 man personeel. Na de dood van zijn vader in 1822 beheert Paul Lekens vanuit Maastricht zijn bezit, met in Nuth Karel Limpens als rentmeester en Mathias Damoiseaux als pachter. Hij vangt  aan met het herstellen van zijn graanmolens aan de Platsbeek en in Thul.  In 1835 wordt Michael Smeets pachter, maar 5 jaar later worden zijn beesten en mater¡aal verkocht voor f 4.227. Pieter Joseph Humble wordt opzichter op  Reymersbeek en Lambert Heuts de nieuwe pachter gevolgd  door Jan Mulkens. Diens vrouw Marie Slangen is geboren in Lemberg ( nu Rusland ) tijdens de veldtocht van Napoleon.
De vele pachterswisselingen zijn het gevolg van de teruglopende winsten uit de landbouw.

Leekens heeft twee dochters, Pauline en Odile Leekens, beiden geboren in Maastricht. Na de dood van Paul August Lekens op 6 maart 1861 verhuurt zijn vrouw Henriette de Montaigne de Pletsmolen voor f 325 per jaar aan Peter Maas en de watermolen in Thul aan Jan Loop voor f 500 per jaar. Later is Loop op de loop en wordt Peters pachter voor f 450.
Pauline Lekens treedt op 19 april 1864 in het huwelijk met de jonge baron Alphons Hilaire Michiels van Kessenich uit Maastricht. De bruidegom stamt af van de burgemeester van Roermond, Henri van Kessenich, onder Napoleon Chevalier de l' Empire en in 1822 tot baron verheven.  Hendrik was een aanhanger van de Oranje's en wou van Roermond de hoofdstad van Limburg maken. Hij verwierf enorm veel bezit - 486 percelen - o.a. het kasteel Kessenich bij Thorn.

Zijn kleinzoon Alphons wordt in Nuth vader van Octave (* 1865) Cecile (* 1873) en Mar¡e - Louise van Kessenich.  50 jaar lang woont Michiels van Kessenich, die tevens lid is van de Staten en de 2e kamer, met Pauline en 2 dienstboden op het kasteel.  In 1896 wordt het spoor aangelegd over zijn gebied, maar als de baron zijn stok opsteekt, moet de trein bij zijn kasteeltje stoppen om hem te laten instappen.  
Meestal geeft hij de voorkeur aan de koets van zijn oude koetsier Pieter Joseph Royen, en diens neef, de herbergier Andries Royen uit de Kerkstraat in Nuth en de Belg Lambert Nijssen.
De baron maakt geregeld z.g. dienstreizen naar Maastricht, waar desnoods wordt overnacht. Op aanraden van de baron moet de post voortaan eerst op Reymersbeek en pas daarna in Vaesrade bezorgd worden.

Op de boerderij werkt Pieter Joseph Diederen en Anna Gertrud Mannens.  In 1886 verhuizen ze met hun 8 kinderen naar Schinnen en het echtpaar Laeven - Schiffelers neemt het werk over.  Als opzichter fungeert dan Hubert Hendrikx uit Swalmen, terwijl Lambert Broers uit Gronsveld rentmeester is.  In deze periode wisselen 30 dienstknechten en dienstmeiden elkaar af.

Ook Octave Francois Michiels van Kessenich vestigt zich in 1908 als rentenier definitief op Reymersbeek.  Hij is getrouwd met Hubertine Augustine von Pelser Berentsberg, die op 12 maart 1873 in oud- valkenburg geboren is. Hun 5 kinderen zijn allen geboren in Meerssen. De jongste dochter van de baron en Pauline Leekens is Cecile Louise Marie Victoire Michiels Van Kessenich, op 22 december 1872 in Nuth geboren. Zij zal de laatste barones op het kasteel zijn. Zij treedt in 1897 in het huwelijk met haar neef George Michiels van Kessenich, die in Roermond geboren is. Rond 1900 worden ook in Roermond hun beide dochters geboren: Margaret en Judy en op Reymersbeek komt de Engelse Veronica Lucy o' Hanbon in dienst als gouvernante.

Pachter op de boerderij wordt op 11 maart 1911 de Belg Gerard  Lemans, getrouwd met Stefanie Vroonen. Zij hebben 11 kinderen bijna allen geboren in Gutshoven bij Tienen. Silvain trouwt op 7 februari 1923 met Maria Bruls uit Hellebroek en neemt de pacht over. Op dezelfde dag trouwt zijn broer Renier met een zus van zijn vrouw, en gaat in de Ping boeren.

Ook na de dood van haar man in 1949 blijft de oude barones Cecile actief in Nuth. Niemand doet vergeefs op haar een beroep. Haar chauffeur rijdt haar met de DAF overal heen. De kinderen nemen met eerbied de pet af, als ze haar zien. In de kerk zit ze op de eerste bank en van menige vereniging is zij erelid.  Haar dochter Judy, kunstschilderes, trouwt met Sweder van Wijnbergen, burgemeester van Wassenaar. In Nuth verschijnt deze baron in de Hoogmis in pofbroek met geruite kousen.

Kort na de oorlog sterft baron George met 82 jaar en wordt in Nuth begraven. Cecile overleeft hem. 94 jaar is zij in 1967, als ze sterft, in het zelfde jaar als haar schoonzoon. Zij wordt begraven te Kessenich en in Nuth wordt de zerk van haar man opgegraven en naar dat familiegraf gebracht. Haar dochter Judy sterft  5 jaar later in Wassenaar. Met de dood van de barones heeft de adel voorgoed het kasteel verlaten, dat nu in het bezit komt van de gewone burger.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen